Incasso zonder kosten?

Bel direct, 010-4145444!

Direct contact met CIB incasso

Ik ontvang graag vrijblijvend informatie.

Wat de Wet van Dam betekent voor opdrachtgevers en consumenten

Het Centraal Invorderings Bureau heeft opdrachtgevers in alle soorten en maten. Vanwege de opkomende populariteit van de zogenoemde "subscription based economy" is inmiddels een belangrijk deel van deze crediteuren (ook) een aanbieder van abonnementen.

Wij worden als incassogemachtigde meer dan eens geconfronteerd met een vordering vanwege een onbetaald gelaten (jaar)abonnement. De meest voorkomende redenen van het uitblijven van de betaling zijn het feit dat de debiteur van mening is de overeenkomst op tijd te hebben opgezegd, de debiteur het bestaan van het abonnement was vergeten, danwel de debiteur het abonnement alsnog wenst op te zeggen om onder de betalingsverplichting van de vordering uit te komen.

In het geval dat er wel sprake is van een opzegging, heeft deze vaak "te laat" plaatsgevonden. Daardoor zal de debiteur alsnog het volledig openstaande bedrag – voor het volledige volgende jaar – gefactureerd krijgen en dienen te betalen.

De debiteur zal echter – meestal na een korte Google zoektocht – de bescherming welke de Wet van Dam biedt aangrijpen om te beredeneren dat hij of zij niet gebonden is aan het afnemen van een volledig jaarabonnement van de opdrachtgever. Ons kantoor is dan ook niet onbekend met een bezwaarschrift waaruit standpunten naar voren komen die gebaseerd zijn op deze wetgeving.

Deze blog heeft als doel om de regels als het gaat om abonnementen – en waarschijnlijk nog belangrijker – de uitzonderingen op deze regels op een heldere en simpele manier uit te leggen.

De Wet van Dam als bescherming voor de consument

De Wet van Dam is in december 2011 in het leven geroepen om bepaalde handelspraktijken aan banden te leggen waarin consumenten geconfronteerd werden met onverwachte (en hoge) rekeningen voor de stilzwijgende verlenging van een abonnement. Meer dan eens was er sprake van het geval waarin de consument circa een jaar geleden een abonnement had afgesloten en helemaal vergeten was deze (tijdig) op te zeggen. Het gevolg was dat hij of zij nogmaals een jaarabonnement af moest nemen.

Deze handelspraktijken werden door vele consumenten als oneerlijk ervaren, welk sentiment uiteindelijk ook de wetgever bereikte. Hierdoor zijn er enkele wijzigingen in het Burgerlijk Wetboek toegepast onder artikelen 2:35, 2:36, 6:236 en 6:237. Terwijl deze bepalingen in boek 2 toezien op de wetgeving omtrent verenigingen, zien de bepalingen uit boek 6 toe op de zogenoemde "zwarte en grijze lijst" van (mogelijk) onredelijk bezwarende bedingen.

Nu deze wet beoogt de consument te beschermen, worden de regels welke deze wet heeft geschapen meer dan eens ingeroepen door consumenten jegens onze opdrachtgevers en derhalve jegens ons kantoor. Een belangrijke misvatting is echter dat iedereen zomaar een beroep kan doen op de bescherming van deze wet.

Het onderstaande overzicht laat zien hetgeen dankzij de Wet van Dam is veranderd:

  • Een contract – of een abonnement – waarvan de aanvankelijke duur is geëindigd, kan door de opdrachtgever niet langer stilzwijgend worden verlengd dan met een periode van één maand. Meerdere verlengingen van telkens één maand zijn echter wel toegestaan;
  • Een contract voor onbepaalde tijd is voor de consument opzegbaar met een opzegtermijn van een maand, los van hoe lang het contract al bestaat;
  • Het is niet langer toegestaan om een bepaalde wijze van opzeggen uit te sluiten. Wanneer een abonnement telefonisch is afgesloten, mag deze ook telefonisch worden opgezegd. Hetzelfde geldt voor opzeggen via website of e-mail. De consument heeft dus het recht om de overeenkomst op dezelfde manier op te zeggen als deze aan is gegaan;
  • Een abonnement op kranten en tijdschriften mag met maximaal drie maanden stilzwijgend worden verlengd. Een tijdige opzegging moet uiterlijk één maand voor het einde van die periode worden gedaan. Een abonnement op een tijdschrift dat minder dan ééns per maand verschijnt, mag een maximale opzegtermijn van drie maanden hebben;
  • Een contract dat stilzwijgend verlengd is, kan op ieder moment op worden gezegd met een opzegtermijn van een maand.

Uitzonderingen op de consumentenbescherming

Zowel voor onze opdrachtgevers als voor ons kantoor kan deze verregaande consumentenbescherming meer dan eens een doorn in het oog zijn. Er bestaan echter ook uitzonderingen op deze wet. De wetgever heeft namelijk rekening gehouden met het feit dat niet iedere stilzwijgende verlenging van een abonnement persé een oneerlijke handelspraktijk oplevert. Indien de opdrachtgever voldoet aan één van deze uitzonderingen, zal een beroep op de Wet van Dam niet kunnen slagen:

  • De consument kan de eerste overeenkomst niet tussentijds opzeggen. Wanneer hij of zij een jaarovereenkomst afsluit is hij dus gebonden aan dit jaar. Hij heeft niet zonder meer een recht om deze tussentijds te beëindigen;
  • Verenigingen kunnen in hun statuten (vergelijkbaar met algemene voorwaarden) bepalen dat afwijkende regels van toepassing zijn. Dit houdt in dat bijvoorbeeld voetbalverenigingen zichzelf kunnen uitzonderen van de regels van de Wet van Dam. Let wel dat deze uitzondering niet geldt voor Stichtingen, Coöperaties of Besloten Vennootschappen, ongeacht of deze zich feitelijk gedragen als verenigingen. Denk hierbij aan een sportschool of fitnessbedrijf;
  • Een bedrijf kan geen beroep doen op de Wet van Dam, omdat deze er speciaal is voor bescherming van de consument. Behoudens een succesvol beroep op "reflexwerking", waarbij kleine ondernemers en zelfstandigen zonder personeel onder bepaalde voorwaarden in de jurisprudentie als consumenten worden behandeld, zal een beroep op de Wet van Dam nooit succesvol zijn.
  • Opdrachtgevers kunnen factureren voor een langere periode dan een maand (bijv. per kwartaal, per half jaar of per jaar), maar zijn bij opzegging wel verplicht tot terugbetaling van het teveel betaalde bedrag. Een opzegging van een met één jaar stilzwijgend verlengd abonnement, halverwege dit jaar, zal derhalve moeten leiden tot een creditering en terugbetaling van de helft van deze kosten.

Het advies van het Centraal Invorderings Bureau aan u

Voor ons kantoor houdt het in de praktijk in dat wij zeker dienen te zijn van het feit of onze opdrachtgever alles "op een rijtje" heeft met de aangeleverde vordering. Het is immers goed mogelijk dat de opdrachtgever – bewust of onbewust – geen rekening houdt met de Wet van Dam. Redenen hiervoor kunnen zijn omdat deze wet voor haar onbekend is, om bedrijfseconomische redenen "niet in haar straatje past", of de opdrachtgever – terecht of onterecht – meent dat hij onder een uitzondering valt.

Het Centraal Invorderings Bureau geeft haar dossierbehandelaars dan ook mee om bij ieder bezwaarschrift dat een beroep doet op de Wet van Dam, rekening te houden met wat we hierboven hebben beschreven. Als de debiteur een consument is, bestaat er immers een aannemelijke kans dat de vordering van opdrachtgever niet klopt. Hierdoor kan het mogelijk zijn dat het oninbaar zal moeten worden verklaard.

Ons advies aan onze klanten is dan ook om haar bedrijfsvoering aan te passen aan de door de Wet van Dam gecreëerde spelregels. Een oplossing welke aanbeveling heeft is het niet langer "stilzwijgend" maken van de verlenging, maar juist de verlenging vrijwillig te laten geschieden door een uitdrukkelijk akkoord van de consument met een verlenging van het abonnement. Een andere oplossing is simpelweg het risico van de tussentijdse opzegging te "begroten" in de bedrijfsvoering. Vanzelfsprekend kleven ook aan deze praktijkoplossingen weer nadelen voor de opdrachtgever.

Het is op zijn zachts gezegd een understatement dat de Wet van Dam de consument een krachtig wapen heeft gegeven. Het is voor de consument momenteel makkelijker dan ooit om zich te ontdoen van een niet langer door hem of haar gewenst abonnement. Deze verregaande bescherming heeft echter wel tot de nodige moeilijkheden geleid voor bedrijven welke hun diensten en/of producten aanbieden uit hoofde van een abonnement.

Indien u als aanbieder van abonnementen vragen heeft over hoe u het beste uw debiteuren- en abonnementenbeheer kan aanpakken, schroom dan niet om contact met ons kantoor op te nemen!


René Doornheim (1987) is sinds 2013 als jurist verbonden aan het Centraal Invorderings Bureau, waar hij zich bezighoudt met gerechtelijke en buitengerechtelijke incassozaken, het opstellen en beoordelen van algemene voorwaarden en (standaard)overeenkomsten, alsmede het bemiddelen in juridische conflicten van zowel zakelijke als particuliere aard. René is primair actief binnen de rechtsgebieden goederen-, verbintenissen-, faillissements- en ondernemingsrecht.